Compiled by Jeroen Nijhof.
Please let me know if you find any errors, or if you know of a link that should be included!

Accordion Poems

Willem Wilmink: Een huis, wat achteraf

Een huis, wat achteraf: in de avondzon
klonk uit een venster een accordeon.
Vlak voor dat huis zagen de mensen pas
dat het een achterlijke jongen was,
die met zijn spel hun wandeling had vertraagd.
Omdat de jongen doorging, onversaagd,
moesten ze toch maar met hem mee op reis
tot aan de achterdeur van 't Paradijs.

Willem Wilmink
met toestemming van de auteur overgenomen uit: Ernstig genoeg (Bert Bakker, Amsterdam, 1995)

Willem Wilmink: Verstarde vingers

Ik speelde met Klaas accordeon
in de zomeravondzon.
De stoelen werden buitengezet,
de kinderen hoefden nog niet naar bed,
de bierflessen gingen onder de kraan,
want een koelkast had niemand nog staan.

Terwijl een buurvrouw pinda's pelde,
was er een concert voor heel de buurt:
Zie ik de lichtjes van de Schelde...
Ik heb een huis met een tuintje gehuurd.

Hij leerde me toen de wisselbas
en daarna wat majeur was.
Ik speelde wondermooi met hem,
Klaas deed er zo teder de tweede stem,
een buurman vertelde een oeroude grap
en de buurvrouwen lachten zich slap.

Ben je in Rotterdam geboren...
Daar in dat hutje bij de zee...
Er liet zich ook een merel horen
en zelfs de bijen zoemden mee.

Klaas woont daar nog wel, maar niemand hoort
in de avond een accoord:
de reuma werd al zijn vingers te sterk,
zijn instrument is allang zonder werk.
Laatst kwam-ie me vragen: `Speel jij wat voor mij
en de tweede stem denk ik erbij.'

Ik speelde van Mooie ouwe toren,
ik speelde ook een valse musette,
ik liet De Parelvissers horen,
ik speelde solo een droevig duet.

Willem Wilmink
met toestemming van de auteur overgenomen uit: Ernstig genoeg (Bert Bakker, Amsterdam, 1995)

Paul van Ostayen: Rijke armoede van de trekharmonika

Rodica en Dodica waren aan elkaar gebonden
zo heeft de vroedvrouw ze gevonden
Rodica en Dodica
de ooievaar speelt trekharmonika

Op de trekharmonika
schilderde de schilder Rodica en Dodica
Rodica was net zo groot als Dodica
op die trekharmonika

Op de trekharmonika
speelt het liedje van Rodica en Dodica
Dodica had een vrijer en Rodica had er geen
toch was Rodica net zo groot als Dodica

Met een lange ruk is het liedje uit op de trekharmonika
van Rodica en Dodica
Dodica is dood en Rodica is rood
toch was Rodica net zo groot als Dodica

Paul van Ostaijen (1896-1928)
overgenomen uit: Music Hall (Ooievaar, Amsterdam, negende druk 1996)

Robert Service: Accordion

Some carol of the banjo, to its measure keeping time;
Of viol or of lute some make a song.
My battered old accordion, you're worthy of a rhyme,
You've been my friend and comforter so long.
Round half the world I've trotted you, a dozen years or more;
You've given heaps of people lots of fun;
You've set a host of happy feet a-tapping on the floor. . .
Alas! your dancing days are nearly done.

I've played you from the palm-belt to the suburbs of the Pole;
From the silver-tipped sierras to the sea.
The gay and gilded cabin and the grimy glory-hole
Have echoed to your impish melody.
I've hushed you in the dug-out when the trench was stiff with dead;
I've lulled you by the coral-laced lagoon;
I've packed you on a camel from the dung-fire on the bled,
To the hell-for-breakfast Mountains of the Moon.

I've ground you to the shanty men, a-whooping heel and toe,
And the hula-hula graces in the glade.
I've swung you in the igloo to the lousy Esquimau,
And the Haussa at a hundred in the shade.
The black man on the levee, and the Dinka by the Nile
Have shuffled to your insolent appeal.
I've rocked with glee the chimpanzee, and mocked the crocodile,
And shocked the pompous penguin and the seal.

I've set the yokels singingin a little Surrey pub,
Apaches swinging in a Belville bar.
I've played an obligato to the tom-tom's rub-a-dub,
And the throb of Andalusian guitar.
From the Horn to Honolulu, from the Cape to Kalamazoo,
From Wick to Wicklow, Samarkand to Spain,
You've roughed it with my kit-bag like a comrade tried and true...
Old pal! We'll never hit the trail again.

Oh I know you're cheap and vulgar, you're an instrumental crime.
In drawing-rooms you haven't got a show.
Your're a musical abortion, you're the voice of grit and grime,
You're the spokesman of the lowly and the low.
You're a democratic devel, you're the darling of the mob;
You're a wheezy, breezy blasted bit of glee.
You're the headache of the high-brow, you're the horror of the snob,
But you're worth your weight in ruddy gold to me.

For you've chided me in weakness and you've cheered me in defeat;
You've been an anodyne in hours of pain;
And when the slugging jolts of life have jarred me off my feet,
You've ragged me back into the ring again.
I'll never go to Heaven, for I know I am not fit,
The golden harps of harmony to swell;
But with asbestos bellows, if the devil will permit,
I'll swing you to the fork-tailed imps of Hell.

Yes, I'll hank you, and I'll spank you,
And I'll everlasting yank you
To the cinder-swinging satellites of Hell.